2. Theoretisch kader

De coronacrisis vergt veel aanpassingsvermogen van jongeren. Wat voorheen als normaal werd gezien is niet langer normaal en fysieke sociale contacten vallen plotseling weg. Daarnaast staat de top-down benadering (d.w.z. beleid dat tot stand is gekomen zonder een dialoog tussen volk en regering) waarin het beleid omtrent de coronamaatregelen tot stand is gekomen op gespannen voet met de fundamentele behoefte om regie

te hebben over het eigen leven. Desondanks moet een manier gevonden worden om jongeren te motiveren aan dit beleid te gehoorzamen. Dit onderzoek is derhalve uitgevoerd in het licht van motivatietheorieën.

2.1 Motivatie

Volgens Geen (1995) heeft motivatie een aantal verschillende aspecten. Ten eerste bepaalt motivatie de richting van gedrag. Daarbij kan het gezien worden als de beweegredenen die iemand heeft om bepaald gedrag ten uitvoer te brengen. Handelingen die voortkomen vanuit eigen wil of verlangen worden intrinsieke motivatie genoemd, handelingen die gestimuleerd worden vanuit een externe prikkel heten extrinsieke motivatie. Een tweede aspect van motivatie is intensiteit. Voor het bereiken van het ene doel is meer inspanning en moeite nodig dan voor het andere. Het derde aspect hangt hiermee samen: de standvastigheid vangedrag. Het ene gedrag wordt na een kleine tegenslag gestaakt, terwijl het andere juist ondanks veel tegenslag wordt voortgezet. Bij intrinsieke motivatie zijn de intensiteit en standvastigheid in de regel sterker dan bij extrinsieke motivatie (Van Dam & Mulder, 2008).

Motivatie wordt aldus mede bepaald door de omgeving en de omstandigheden waarin iemand zich bevindt (Van den Broeck et al., 2016). Een van de invloedrijkste theorieën over motivatie in relatie tot omstandigheden is de motivatietheorie van Maslow (1943). Mensen hebben volgens hem verschillende aangeboren psychologische behoeften, die essentieel zijn voor hun functioneren. Maslow stelt dat de motivatie voor menselijk gedrag gevormd wordt door het vervullen van vijf fundamentele behoeftes, achtereenvolgens primaire biologische behoeften, veiligheidsbehoeften, sociale behoeften, behoefte aan erkenning en waardering en de behoefte aan zelfverwezenlijking. Een meer hedendaagse theorie die op dit idee voortborduurt is de Zelf-Determinatie Theorie van Deci en Ryan (2000). De Zelf- Determinatie Theorie (hierna: ZDT) stelt dat mensen – naast hun fysieke behoeften – ook drie essentiële psychologische basisbehoeften hebben, namelijk de behoefte aan autonomie, verbondenheid en competentie. De behoefte aan autonomie omvat de wens om zelf een keuze te hebben en het gevoel te hebben niet verplicht te worden om iets te doen. Mensen kunnen zich autonoom voelen als ze de ruimte hebben zelf hun gedrag te bepalen, maar ook als ze achter het gedrag van anderen staan (Vansteenkiste, Soenens, Sierens & Lens, 2005). De behoefte aan verbondenheid gaat over het gevoel samen iets te doen (saamhorigheidsgevoel), maar hierbij ook waardering van anderen te krijgen. Het is de neiging om samen te zijn met andere personen en om de waarden van een groep te internaliseren (Deci & Ryan, 2000; Milyavskaya & Koestner, 2011). De behoefte aan competentie omvat de drang naar beheersing van de uitkomst en eigen ervaringen (White, 1959). Dit uit zich bijvoorbeeld in het gevoel vooruitgang te boeken, wat gestimuleerd wordt door het ontvangen van positieve feedback. Competentie kan bevorderd worden op twee manieren: belonen of bestraffen. Uit de literatuur over gedragsverandering blijkt dat straf in het algemeen een duidelijk effect heeft (Van der Pligt & Vliek, 2016; Vliek, 2017). Dit effect is afhankelijk van verschillende factoren: de timing, verscheidenheid, consistentie en extremiteit. Onmiddellijke straffen zijn bijvoorbeeld effectiever dan uitgestelde straffen en een hogere frequentie betekent een grotere effectiviteit. Een nadeel van straffen is echter dat het ongewenste gedrag meestal slechts tijdelijk geëlimineerd is, omdat het vaak geassocieerd blijft met de voordelen die bepaald gedrag opleveren. Tegenover straffen staat beloning, welke ook bewezen belangrijke gedragsbeïnvloeding kan bewerkstelligen. Net als bij sancties wordt de effectiviteit ervan vergroot door variatie. De effectiviteit neemt daarnaast toe als het interval tussen gedrag en beloning kort is.

De ZDT benadrukt de natuurlijke groei van mensen naar positieve motivatie, waarbij de basis gevormd wordt door de onderlinge verbinding tussen intrinsieke en extrinsieke motieven. De mens moet gevoed worden vanuit de sociale omgeving waardoor het welzijn en welbevinden toeneemt (Ryan & Deci, 2000). Uit onderzoek bij adolescenten blijkt dat de bevrediging van autonomie, competentie en verbondenheid leidt tot een verhoogd psychologisch welbevinden, vitaliteit en minder depressieve gevoelens (Vansteenkiste, Lens, Soenens & Luyckx, 2006). Hierbij dient opgemerkt te worden dat de bevrediging van één of twee behoeften niet voldoende is: de bevrediging van de drie psychologische basisbehoeften is essentieel om dit optimale niveau van functioneren te bereiken (Deci & Ryan, 2000). Het dwarsbomen van de basisbehoeften leidt tot een belemmerd functioneren en kan schadelijk zijn voor de ontwikkeling en motivatie van jongeren. Een gevoel van druk frustreert de behoefte aan autonomie en een gevoel van eenzaamheid en sociale isolatie heeft negatieve invloed op de behoefte aan verbondenheid. Indien de behoefte aan competentie actief tegengewerkt wordt ervaart men gevoelens van mislukking (Ryan, Deci, Grolnick & La Guardia, 2006). Behoeftefrustratie houdt vervolgens verband met depressieve symptomen en een vermindering van het welzijn (Deci & Ryan, 2000).

2.2 Impact coronacrisis op jongeren

De coronacrisis wordt zowel in wetenschappelijke literatuur als nieuwsartikelen en blogposts veelal in verband gebracht met bovenstaande mogelijke oorzaken van behoeftefrustratie, zoals het ervaren van druk, eenzaamheid en sociale isolatie.Verschillende auteurs benadrukken dat de gevolgen die de coronacrisis op kinderen en jongeren kan hebben niet onderschat moeten worden (Raat, 2020; Masten & Motti- Stefanidi, 2020). Door de maatregelen zijn scholen dicht en wordt online lesgegeven, worden sociale gelegenheden afgelast en kunnen sportwedstrijden geen doorgang vinden als voorheen. Dit brengt belangrijke systemen in de war, zoals familie- en schoolroutines en financiële zekerheid. Ook heeft de coronacrisis een mogelijk impact op de seksuele gezondheid van jongeren en adolescenten, doordat veel jonge mensen nu te maken hebben met meer ouderlijk toezicht en minder privacy (Lindberg, Bell & Kantor, 2020; Lopes et al., 2020). Tegelijkertijd neemt de nadruk op de paradoxale relatie tussen jongeren en de maatschappij toe. Jongeren moeten zich steeds vaker en sneller aanpassen aan nieuwe sociale structuren en scheidingen, terwijl gelijktijdig van ze verwacht wordt dat ze zelfstandig zijn en zeggenschap over zichzelf hebben om volwassen te worden (Wyn & White, 2000). De onduidelijkheid en verwarring over wat goed gedrag is draagt hier negatief aan bij (Prosser et al., 2020). Bovendien wordt de coronacrisis voor jongeren vergeleken met andere, vaak ernstigere, situaties om de huidige situatie te relativeren. Een voorbeeld hiervan is dat ouderen de coronatijd voor jongeren vergelijken met hun eigen ervaringen met de oorlog, waarbij ze de jongeren mogelijk het gevoel geven dat gevoelens van onmacht en eenzaamheid in deze tijd er niet ‘mogen’ zijn. Een voorbeeld hiervan is de brief van Jan Hoek (94) aan jongeren, waarin hij hen vraagt “het even een jaartje kalm aan te doen”, omdat hij dit tien jaar van zijn leven heeft moeten doen door oorlog (Hoek, 2020). Deze relativering kan bij jongeren leiden tot een onrechtvaardigheidsgevoel en legt een nadruk op de hiervoor beschreven paradoxale relatie tussen jongeren en de maatschappij. 

De ontwrichtende omstandigheden waarin COVID-19 zich voltrekt, brengen daarnaast nog meer met zich mee. Een maatschappelijke crisissituatie is een belangrijke voedingsbodem voor het ontstaan en ontwikkelen van complottheorieën. Uit onderzoek blijkt dat het geloven in complottheorieën zich sterk ontwikkelt onder mensen die reeds onderliggende complotdenkers zijn, wat vooral naar voren komt in stressvolle omstandigheden. Het geloven in complottheorieën rondom COVID-19 hangt volgens Georgiou, Delfabbro en Balzan (2020) ook sterk samen met opleidingsniveau, waarbij mensen met een lagere opleiding eerder geneigd zijn om aanhangers te zijn van complottheorieën. Zij vonden daarnaast een positief verband tussen het geloven in complottheorieën en een negatieve houding ten opzichte van het handelen van de overheid. Van Prooijen en Douglas (2017) stellen verder dat gevoeligheid voor complottheorieën afhangt van angst, onzekerheid en het gevoel geen controle te hebben. Mensen zoeken een manier om de situatie te begrijpen en complottheorieën bieden hier uitkomst voor. Een mogelijk gevolg van complotovertuigingen is dat deze mensen zich niet willen laten vaccineren (Jolley & Douglas, 2014; Salmon, Dudley, Glanz & Omer, 2015). Overheden moeten bedachtzaam en effectief crisisinformatie communiceren aan het publiek om onzekere en angstige burgers te voorkomen (Chen et al., 2020).

Tot slot heeft angst invloed op motivatie. Bij de coronacrisis speelt angst een belangrijke rol. Mensen in kwetsbare groepen, zoals ouderen en chronisch zieken, ervaren angst om besmet te worden met het virus. Bewezen is dat jongeren minder risico lopen om ziek te worden van een besmetting van het coronavirus, wat ervoor zorgt dat zij op individueel niveau waarschijnlijk minder angst ervaren om het te krijgen. Een angst die zij echter wel kunnen hebben is dat zij hun naasten besmetten met het virus. Desondanks is het mogelijk dat jongeren de situatie voor zichzelf onbewust cognitief bewerken door de gedachte dat ze zelf minder snel een negatieve gebeurtenis zullen meemaken. Dit staat ook wel bekend als de optimism bias of vergelijkend optimisme (Sharot, 2011). Deze optimism bias kan negatief bijdragen aan de intrinsieke motivatie van jongeren om zich te houden aan de coronamaatregelen, omdat ze geen individuele angst ervaren om besmet te raken. Ondanks bovenstaande bevindingen, zijn jongeren vaak onmiskenbaar veerkrachtig. Juist deze groep wordt gekenmerkt door veel flexibiliteit en aanpassingsvermogen, wat onmisbaar is bij veel en snelle veranderingen (Berkes & Ross, 2013). De vraag óf jongeren gemotiveerd kunnen worden zou daarom bevestigend beantwoord kunnen worden, de resterende vraag is dan hoe.

Contact

Denk jij dat wij iets voor jou kunnen betekenen? Neem contact met ons op, en we nodigen je graag uit in onze jungle!