5. Conclusie

Het doel van het huidige onderzoek is om het gedrag van jongeren in Breda met betrekking tot COVID-19 in kaart te brengen. Deze bevindingen vormen de basis voor een aanpak om jongeren te betrekken bij het bestrijden van het coronavirus en ze bewust te maken van hun rol bij de verspreiding ervan. Om dit te onderzoeken zijn vier focusgroepen gehouden met in totaal 24 jongeren in de leeftijdscategorie 17-24 jaar, met mbo-opleidingsniveau en lager of havo-opleidingsniveau en hoger. Uit de analyse kwamen veel ervaringen, betekenissen en gedragingen naar voren. Zo blijkt uit de resultaten dat vooral jongeren met een lage opleiding neigen naar het geloven in complottheorieën en dat zij weinig vertrouwen hebben in de overheid en handhaving. Deze bevinding bevestigt de stelling dat complot-overtuigingen meer voorkomen bij mensen met een lagere opleiding (Van Prooijen & Douglas, 2017; Georgiou et al., 2020). De deelnemers geven daarnaast aan een negatieve houding aan te nemen ten opzichte van de maatregelen. nWaar gehoorzaamheid aan de maatregelen in het begin van de crisis heel normaal was, is dit steeds moeilijker gebleken omdat de urgentie en motivatie afnam. Verwarring speelt hierbij een grote rol: de verwarring over welke maatregelen waar en wanneer precies gelden, en de discrepantie tussen de maatregelen en adviezen enerzijds en de uitvoering daarvan  door anderen anderzijds. Wat betreft straffen of belonen, neigen de deelnemers naar het steunen van een aanpak op basis van bestraffing, omdat ze inzien dat belonen in deze situatie vrijwel onmogelijk is door de uitzichtloosheid van de crisis. Ook is gebleken dat het relativeren van de situatie voor jongeren leidt tot onrechtvaardigheidsgevoelens. Hieruit kan geconcludeerd worden dat deze manier van benaderen in ieder geval weinig effect heeft op de jongeren op de lange termijn; op korte termijn zorgt het voor een relativering en daarna roept het een gevoel van weerstand op. De effectiviteit van deze benadering valt daarom te betwisten.

De deelnemers delen uiteenlopende gevolgen die zij hebben ondervonden op persoonlijk vlak, zoals het verlies van financiële inkomsten en gevoelens van eenzaamheid en somberheid. Een belangrijke bevinding is dat de deelnemers met mbo- opleidingsniveau of lager veel moeite hebben gehad met de verschuiving van fysiek naar online onderwijs. Ze rapporteren veel verveling, een gevoel van doelloosheid en een gebrek aan motivatie. Wat betreft hun toekomst blijven ze desalniettemin, zoals verwacht (Berkes & Ross, 2013), veerkrachtig: ze gaan ervanuit dat deze periode weer voorbij zal gaan en proberen in veel opzichten het beste ervan te maken. Ook willen ze graag meedenken over hoe deze situatie het beste aangepakt kan worden, omdat ze beseffen dat hun doelgroep een belangrijke rol speelt in (het tegengaan van en) de verspreiding van het coronavirus.

Het secundaire doel van dit onderzoek is het bewerkstelligen van bewustwording bij jongeren in Breda omtrent COVID-19. Alle deelnemers gaven na de focusgroep aan dat zij het als plezierig hadden ervaren om te spreken over de onderwerpen rondom corona en dat het ze aan het denken zette over hun acties en rol in bestrijding van het virus. Daarnaast vonden ze het leuk om te brainstormen over manieren waarop zij bereikt kunnen worden. Hoewel dit onderzoek heeft plaatsgevonden met een klein aantal jongeren, is het voor de gemeente Breda een belangrijke zet in het bevorderen van betrokkenheid van jongeren.

De volgende en laatste stap in dit onderzoek is: hoe passen deze bevindingen binnen de Zelf-Determinatietheorie van Deci & Ryan (2000)? Achtereenvolgens zullen bovenstaande resultaten bekeken worden in het licht van de behoeftes aan autonomie, competentie en verbondenheid, om zodoende een beeld te schetsen van waar de focus op moet liggen bij de aanpak van jongeren om hen te motiveren.

5.1 Autonomie

Op basis van literatuuronderzoek werd verwacht dat jongeren een groot gevoel van druk zouden ervaren om zich te houden aan de coronamaatregelen, door de top-down benadering waarin het beleid tot stand is gekomen (Masten & Motti- Stefanidi, 2020; Raat, 2020). Dit zou afbreuk doen aan hun gevoel van autonomie. Uit de resultaten blijkt echter dat de meeste deelnemers wel het gevoel hebben dat ze een eigen keuze hebben wat betreft gehoorzaamheid. Dit uit zich bijvoorbeeld in de standpunten wat betreft vaccinatie en in welke mate ze na versoepelingen van de maatregelen zich hieraan hebben gehouden. Ze hebben niet het gevoel “verplicht” te zijn, maar zien gehoorzamen zelf ook als het moreel juiste om te doen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat ze zichzelf wel zien als onderdeel van het beheersen van het probleem, maar in veel gevallen ervoor kiezen om daarin geen eigen verantwoordelijkheid te nemen. De optimism bias (Sharot, 2011), tevens bevestigd in de resultaten, speelt hierbij waarschijnlijk een belangrijke rol: het virus blijft voor velen een ver-van-mijn-bed show.

Concluderend kan gesteld worden dat de jongeren uit de focusgroepen wel degelijk een gevoel van autonomie ervaren, en dat de focus hier dan ook niet op hoeft te liggen in een aanpak van jongeren. Waar wel een focus op gelegd kan worden is hun verantwoordelijkheidsgevoel in de keuzes die zij maken. Door middel van co-creatie zou het verantwoordelijkheidsgevoel van jongeren vergroot kunnen worden.

5.2 Competentie

Wat betreft het gevoel van competentie geven de deelnemers over het algemeen aan dat positieve feedback (zoals een dalende lijn in het aantal besmettingen) weinig effect op ze heeft. Zo blijkt uit de resultaten dat de deelnemers niet achter belonen staan, omdat de beloning geen direct gevolg is van hun gedrag. Versoepelingen van de maatregelen hadden zelfs juist een averechts effect: het merendeel van de deelnemers geeft aan vanaf het moment dat de maatregelen versoepeld werden juist veel lakser te zijn geworden, omdat er geen sprake was van urgentie. Hierdoor werd het makkelijker om gedrag goed te praten voor zichzelf. De motivatiefactor die deelnemers het vaakst noemen is angst voor besmetting van naasten. Een aanpak gericht op deze trigger zou, volgens de deelnemers, het meest effect hebben indien het de juiste snaar weet te raken.

5.2 Verbondenheid

Volgens de ZDT zou ten slotte verbondenheid zorgen voor de intrinsieke motivatie voor gedrag. Verbondenheid draait om het saamhorigheidsgevoel, een gevoel dat vanaf het begin van de coronacrisis ook benadrukt is vanuit het kabinet met de leus “Samen krijgen we corona onder controle”. Verwacht werd echter dat dit gevoel bij jongeren mist, doordat ouderen de situatie voor jongeren vergelijken met andere ernstige situaties zoals oorlog, waardoor jongeren zich niet begrepen voelen. Deze aanname werd grotendeels bevestigd door de deelnemers aan dit onderzoek. In aanvulling hierop geven de jongeren aan dat het een onrechtvaardigheidsgevoel oproept dat ze het idee hebben dat zij als enige doelgroep aangesproken worden op slecht gedrag, terwijl ze net zo goed ouderen zich niet aan de maatregelen zien houden. Dit zorgt voor een kloof. Op basis van deze resultaten kan gesteld worden dat het van belang is dat er meer aandacht wordt besteed aan de verbondenheid tussen jongeren en ouderen.

Contact

Denk jij dat wij iets voor jou kunnen betekenen? Neem contact met ons op, en we nodigen je graag uit in onze jungle!